Malus sylvestris, wilde appel

Malus sylvestris, wilde appel is volledig winterhard.
De wilde appel heeft een dichte, lage en koepelvormige kroon met dichte, kronkelende takken.
De schors is grijsachtig bruin of donkerbruin. Vaak is deze gebarsten in rechthoekige stukjes.
De twijgen zijn geribbeld en vaak gedoornd.
Er zitten kleine knoppen op met een lengte van 4-5 mm. Deze zijn donkerpaars en zijn bedekt met kleine haartjes.
De wilde appel heeft eivormige bladeren met een afgeronde of wigvormige voet. De bladeren zijn toegespitste en gekarteld of gezaagd.
Het blad is circa 5 x 3 cm groot. De bladsteel is gegroefd en dicht behaard. Het blad is aan de bovenzijde heldergroen en aan de onderkant bleek en donzig. De wilde appel heeft kleine bloemen met vijf witte kroonblaadjes met een roze waas. Er zijn veel gele meeldraden.
De bloeiwijze is een schermvormige tros en zit aan de top van de korte loten.
De vrucht (de appel) is bolvormig en groenachtig geel met witte spikkels. Soms hebben ze een rood blosje. De top en basis hebben een indeuking. Wilde appels zijn zuur, maar smaakvol. Lekker om jam van te maken.
Gedijt in willekeurige, niet drassige bodem.
Standplaats: zon, halfschaduw
Bloeiperiode: mei
Hoogte: 10 mtr.